| Breukers signaleert: tips voor de feestdagen |
|
door Chrétien Breukers
Hotel New Flandres (Poëziecentrum) Wie tijdens de feestdagen van plan is om eens helemaal bij te lezen, poëziegewijs, zit dit jaar helemaal goed. Hij heeft de keuzen uit maar liefst vijf bijzondere `canonbloemlezingen'. Ik begin met Hotel New Flandres, 60 jaar Vlaamse poëzie, 1945 - 2005, samengesteld door Dirk Van Bastelaere, Erwin Jans en Patrick Peeters. In Vlaanderen zorgde dit boek voor wat deining, voornamelijk omdat mede-samensteller Van Bastelaere zichzelf grootmoedig tot een van de vijf beste naoorlogse Vlaamse dichters uitriep. Niet erg kies, als een bloemlezer dat zélf doet. Maar wie eenmaal aan de almaar meelezende slagschaduw van Van Bastelaere gewend is, ontdekt de grote rijkdom van dit boek. Ik heb er zelf in elk geval al één dichter in ontdekt: Jan de Roek (1941 - 1971), een groot maar helaas veel te jong gestorven talent. Enige minpunt aan de bundel is, wat mij betreft, dat de samenstellers het woord `Hollands' pejoratief gebruiken. Kom kom.
Enige honderden kilometers
noordwaarts ligt Friesland, alwaar men een eigen taal spreekt. Een taal waarin
ook poëzie ontstaat. En die poëzie is in 1994 door Pier Boorsma, Teake Oppewal
en Geertrui Visser gebloemleesd in de Spiegel van de Friese
poëzie. Onlangs verscheen een herziene en aangevulde versie. Want
de Friese poëzie heeft de afgelopen 14 jaar, met de opkomst van dichters als
Tjêbbe Hettinga, Albertina Soepboer, Tsead Bruinja, Cornelis van der Wal, Abe de
Vries en Elmar Kuiper een hoge vlucht genomen. Genoemde dichters komen dan ook
allemaal ruim aan bod. Dit boek bewijst dat een taal niet `groot' hoeft te zijn
om grote poëzie voort te brengen, en is daarom alleen al de aanschaf waard.
Grote poëzie bereikt toch wel een geïnteresseerd publiek. Een boek als de Spiegel
is daartoe een belangrijk instrument.
Heel toepasselijk voor deze adventperiode: Brandaan van de christelijke poëzie na 1950. De
prettig ronkende aanbiedingstekst zegt: `In deze Brandaan van de
christelijke poëzie heeft de samensteller Rien van den Berg uit
de poëzie van christelijke dichters van na 1950 die gedichten gekozen die stuk
voor stuk gerekend
mogen worden tot het beste werk uit Nederland en Vlaanderen.' Mooi gezegd, en
ongetwijfeld waar, al moet ik bekennen dat ik niet alle christelijke gedichten
van na 1950 paraat heb. De samensteller wil met dit werk bijna letterlijk
zending bedrijven: hij wil de opgenomen dichters onder de aandacht brengen
én hij wil dat we het werk van sommige dichters die een beetje buiten de `hoofdstroom' van de huidige (seculiere) poëzie onder de aandacht
blijven brengen. Wat mij betreft is hem dit gelukt - bijvoorbeeld door werk te presenteren
van L.F. Rosen, Van der Graft, Anton Ent, Menno van der Beek, Liesbeth
Goedbloed en Hilbrand Rozema.
Onlangs verscheen van Paul Claes Lyriek van de Lage
landen. Hij geeft hierin een beeld van de poëtische
canon van het Nederlands taalgebied in tachtig gedichten, aangevuld met
beschouwingen over de verzen, en een schets van de tijd waarin ze ontstonden. In
een interview zei Claes op de vraag `Hoe bepaalt u welke gedichten tot de
literaire canon behoren en welke niet?': `Ik bepaal de canon niet, de canon
bepaalt zichzelf. Gedichten die tot de canon behoren komen veelvuldig voor in
bloemlezingen, worden meermaals becommentarieerd en de schrijvers ervan hebben
doorgaans een plaats in de literatuurgeschiedenis verworven. Op hun gedichten
wordt vaak gealludeerd.' In hetzelfde interview geeft Claes een korte workshop
canongedichten schrijven: `De beginregel moet blijven nazinderen, de
pointe ook. (...) Herhaling is een andere belangrijke eigenschap van
canongedichten. (...) Uiteraard moet je ook gebruik maken van stijlmiddelen
die de pregnantie van de regels verhogen, bijvoorbeeld het rijm.' Een mooi boek,
om de gedichten maar zeker ook om de mild-nurkse teksten van Claes, een kenner én
een liefhebber.
Ilja Leonard Pfeijffer en Gerd Jan de Vries deden een gooi naar
een wereldcanon in 500 gedichten die iedereen gelezen moet hebben,
de canon van de Europese poëzie. In zijn recensie schreef Guus
Middag: `[ik] weet nog steeds niet zo goed wat ik van deze enorm dikke
Canon van de Europese poëzie moet vinden. Er zit een gymnasiale kant aan, en een
volkse kant: de intertekstuele canto’s van Pound, en daarnaast het gevloek van
diezelfde Pound. De verantwoording is theoretisch niet sterk, en de keuze is
niet erg consequent, maar de praktijk verveelt geen moment.' Dat laatste komt
volgens mij omdat de poëzie het werk doet, niet de bloemlezers. En met de poëzie
zit het in dit boek - een aardige aanwinst en zeer geschikt om wat er
buiten onze landsgrenzen plaatsvindt onder de aandacht te brengen - wel goed. Wat dan weer,
om de cirkel rond te maken, een verdienste van de bloemlezers
is. |