Ik ben je vriend - Gerard van Emmerik

door Ingrid Koorn

 

 

Gerard van Emmerik schetst in Ik ben je vriend in negen korte verhalen een wereld waarin een vast gezelschap figureert, zonder het van elkaar te weten. Centrale locatie is een wegrestaurant waar een feest - of is het een sombere herdenking? - wordt gehouden. De meeste hoofdpersonen brengen een toevallig bezoek aan dit wegrestaurant, en komen elkaar daar tegen. Zo ontspinnen zich de draden van de verhalen tot een fraai gestileerd spinnenweb. 

 

Want fraai gestileerd is deze verhalenbundel zeker. Er staat geen woord te veel in. De wereld van de hoofdpersonen is een kleine. Mensen staan in hun achtertuin of in hun huis, zitten in de auto of lopen in het bos. En nooit alleen, altijd met een ander. Vooral dat maakt hun wereld klein. De gesprekken gaan niet zozeer over de omgeving, maar over de wereld van de personages. En die wereld is benauwend:


`Hoe gaat het tegenwoordig?' zei hij. `Getrouwd?'
‘… en een dochter.’ Ze draaide haar hoofd een kwartslag.
‘Een schatje. Lekker aan het graven in de zandbak.’
(...)
Hij keek haar aan alsof hij niet luisterde. ‘Weet je nog? Die avond?’
Ze probeerde te glimlachen. Maar juist toen dat leek te gaan lukken, hoorde ze zichzelf snauwen. ‘Ja, wat denk je? Je hebt me erg gekwetst toen.’
‘Weet ik.’ Hij fluisterde.

Daarna volgt een dialoog waarin de vrouwelijke hoofdpersoon zegt: `Zeg dat het je spijt, en de man wel drie keer spijt betuigt. Dat is jammer. Het maakt het onwerkelijk. Wat Van Emmerik in eerste instantie heel goed doet, is een realistische situatie schetsen, die vervolgens ontspoort - maar niet op een geloofwaardige manier. Nu kun je van Kafka’s Metamorfose ook zeggen dat die op een niet-realistische manier ontspoort, maar toch blijf je constant geloven in de hoofdpersoon. Dat is nu juist wat er ontbreekt bij Van Emmerik. De bewegingen en de motivaties van z’n hoofdpersonen zijn te bedacht. En dat was niet zo erg geweest als het héle verhaal een raar verzinsel was, maar hier strijden realiteit en fantasie per alinea om voorrang.

In het verhaal `De Hunkeraar' komt ene Bastiaan naar het wegrestaurant, waar hij met een internetdate heeft afgesproken. Hij raakt verzeild in het welkomstfeestje - of is het een herdenking? - voor een verdwenen dochter. Een prachtige situatie. Er gebeuren geestige dingen, absurde dingen, en dan denkt Bastiaan ineens: `Ik kijk naar onbegrijpelijk toneel.' Te veel uitleg, een zin die alles te niet doet. De lezer weet immers allang dat Bastiaan - en daarmee hijzelf - naar onbegrijpelijk toneel kijkt.

De mooiste verhalen zijn: `Loving whisky' en  `Iets aardigs'. In `Loving whisky' ontvoert een weervrouw van tv een kleine jongen in de supermarkt:

Eenmaal op de ringweg zei ze: `Nu, hoe voelt dat, ontvoerd worden?'
`Gewoon,” zei de jongen, en gaapte (...). `Mag ik nu naar huis?'

In `Iets aardigs' neemt een jonge man zijn moeder mee voor een wandeling in het bos. Zij is ongeneeslijk ziek en wil dood, maar hij kan dat niet accepteren. Ze praten samen in een zelf bedacht taaltje. Hij: `Ik niet begrijpen.' Zij: `En ik niet vinden leuk jij Indianengrapjes blijven maken. Probeer je in te leven, oké?' Hoe absurd ook, hier weet Van Emmerik toch op een subtiele  - en geestige - manier binnen de grenzen van de geloofwaardigheid te blijven.

Van Emmerik schetst het menselijk tekort en voorziet het van een goeie dosis humor. Het blijft alleen te bedacht, te onstabiel, elk verhaal wiebelt voortdurend tussen enerzijds ontroerend en herkenbaar en anderzijds ongeloofwaardig. Aan Van Emmeriks schrijfstijl ligt het niet. Die is mooi. De ideeën zijn alleen te ver gezocht. Dat maakt de verhalen slecht invoelbaar. Het blijft uiteindelijk nabootsing, geen werkelijkheid.

 

Ik ben je vriend

Gerard van Emmerik

Nieuw Amsterdam, 2008

 

Wie?