| Column: De heren en dames lokale pers |
|
4-2-08
‘Heeft je verhaal ook een einde?,’ vraagt mevrouw lokale radiozender. ‘Ja, op het einde struikelt de...’ ‘Nee, nee, niet verklappen!’ ‘Dus de vraag is... of mijn verhaal een einde heeft?’ ‘Ja.’
Een vriend vertelt me dat ik meer in soundbytes moet gaan praten. Ik moet kort en krachtig kunnen uitleggen. Als ik eerlijk ben, weet ik niet hoe ik een gedicht moet uitleggen. Dan had ik wel een uitleg geschreven, geen gedicht. Laat staan dat ik weet hoe ik kort en krachtig alles moet uitleggen.
‘Ik zie dat je nog echt een boekje hebt, met pen. En ik dacht natuurlijk dat alles met computers gaat tegenwoordig.’ ‘Nou ja, ik ben niet vaak thuis en een compu...’ ‘Hoe belangrijk zijn pen en papier voor je?’
Van sommige vragen weet ik niet eens wat ze betekenen. Laat staan dat ik enig idee hebt in welke richting ik het antwoord moet zoeken. En ze willen altijd iets geïnspireerds horen. ‘Pen en papier zijn van het grootste belang. Ik moet de woorden als het ware ‘voelen’. ‘Kleren vind ik ook belangrijk. Eten. Maar daar vragen ze nooit naar. Geen idee wat ik moet zeggen. ‘Zonder gedichten ga ik vast wel dood.’ Zoiets?
In gedrukte interviews zeg ik altijd hele rare dingen. Ik kan er dan avonden mee zoet zijn om te bedenken wat ik ook alweer echt gezegd heb. Vaak helpt het om op te schrijven wat ik ongeveer gezegd moet hebben. Dan versnipper ik dat. De ene helft verbrand ik, de andere strooi ik uit op tafel. Zo moet het schrijven van zo’n stuk ook ongeveer werken.
Een vriend vertelt me dat ik schema’s moet maken: 1. Wat wil ik allemaal zeggen? 2. Wat kunnen ze allemaal vragen? Vervolgens moet je dan zoveel mogelijk manieren verzinnen om van 2. bij 1. te komen. Journalisten hebben een te rijk brein om dit schema uitputtend maken. Ze verzinnen bij 2. altijd gekkere dingen dan ik me kan voorstellen. Tenminste, in mijn ervaring.
‘Weet je,’ vertrouwt ze me toe, ‘ik heb helemaal geen diploma voor journalist.’ ‘Journalisme...’ ‘Ja. Mooi vak is het.’
Ik begin zachtjes te huilen.
|