| Dichters in de Prinsenstuin, Groningen |
|
|
|
|
30-7-07
Willem Thies ontmoette vorig jaar op het poëziefestival Dichters in de prinsentuin zijn liefde, de dichter Froukje van der Ploeg, en vertrok dit jaar opnieuw met haar naar het Groningse festival. Een verslag vanuit de tuinen.
Afgelopen vrijdag was de slotdag van de tiende editie van Dichters in de Prinsentuin in Groningen.
Dit driedaagse literair-botanische festival is, wat betreft het aantal
optredende dichters, het grootste van Nederland: het programma telde
dit jaar maar liefst tachtig namen. De locaties alleen al klinken poëtisch: Prinsenhof, Theeveld en de
loofgangen – dit laatste is een dubbele, ringvormige haag, waarin
vensters zijn uitgespaard. De dichters staan opgesteld achter de gaten
in de binnenste haag, en het publiek staat in de loofgang, vaak op
armlengte van de dichter. Na vier of vijf gedichten wandelt de
toehoorder verder naar het volgende optreden, en zo kun je in
vijfenveertig minuten een rondje loofgangenvoordrachten maken. (Dat is
althans de opzet. Vorig jaar begon ik bij Froukje van der Ploeg en ik bleef de volle vijfenveertig minuten bij haar voordracht, mijn blik geen moment afwendend.) Omdat de line-up van de slotdag van de Prinsentuin erg goed was, en
we elkaar precies een jaar geleden op dit festival ontmoetten (we
traden er beiden op), gingen Froukje en ik er dit keer als bezoekers
naartoe.
Na Loontjens nam de grondlegger van het festival, Tsead Bruinja, achter de microfoon plaats. Met zijn gedragen, muzikale voordracht en armbewegingen is hij een echte performer. Bruinja is daarnaast een van de tien dichters van wie een gedicht is opgenomen in de jubileumuitgave van het festival.
foto: Froukje van der Ploeg
Menno Wigman! Een van mijn favoriete dichters van zo nabij te mogen zien, dát is het bijzondere van De Prinsentuin. Toen zich eenmaal een aantal mensen voor het venster had verzameld, begon Wigman voor te lezen uit een lang prozagedicht-in-wording dat uiteindelijk dertig à veertig pagina’s zal gaan beslaan. Een intrigerend (waargebeurd) verhaal over de zoon van de fervente en verstokte nazi Vesper, die na de oorlog de holocaust bleef ontkennen. De zoon werd verliefd op een RAF-terroriste, raakte uiteindelijk verslaafd aan lsd, bleef hangen in ‘bad trips’ waarin hij zichzelf als Hitler zag en pleegde op zijn 32ste zelfmoord. Het is een verhaal dat nagenoeg alle fascinaties van Wigman bevat: de Tweede Wereldoorlog, de holocaust, liefde en tragiek, schuldgevoel, roesmiddelen en hallucinaties, zelfmoord. Het gedicht schurkte dicht tegen proza aan, maar bevatte mooie, poëtische bewoordingen als: ‘ongekamde haat’ en ‘wijdbeens hijst hij het zeil van zijn dromen’.
Na de loofgangen weer over naar het Theeveld met wederom... Wigman! Hij opende met ‘Lichaam, mijn lichaam’, waarvan de slotregel luidt: ‘Straks lig ik daar en wordt mijn haar gekamd.’ (Weer die kam! dacht ik.) Hij droeg ook een nieuw gedicht voor, ‘Glazenwasser ziet schilderijen’, met meesterlijke regels: ‘Dat meisje daar, die lach/ wie heeft haar zo bespied dat ze immuun/ voor complimenten mijn gezicht in kijkt?/ En wanneer breekt die sperwer uit zijn lijst?’ De slotregel, ‘Kijk. Daar kruipt al zonlicht in mijn lijst.’, herinnert aan de laatste regels van ‘Dit is mijn dag’: ‘Hier lonkt een spiegel naar verwonderd licht./ Daar breekt een vlinder uit. En dat ben ik.’
De overige dichters van dit ‘rondje’ deden me niet zoveel. De veelbejubelde Kees ’t Hart vond ik zelfs ronduit slecht – veel te talig, te zelfreflectief; de ode aan Willeke Alberti was flauw, kitscherig. Camp in het beste geval.
De slotmanifestatie ’s avonds vond plaats op het terras van schouwburgcafé de Souffleur, onder een bladerdak van platanen, en bestond onder meer uit een ‘duetdicht’ van Astrid Lampe en F. van Dixhoorn. Dix is solo een groot dichter, zowel op papier als achter de microfoon, maar dit samenspel – het wérkte, het klopte, alles leek op zijn plek te vallen.
In de pauze bracht ik mijn liefde naar haar auto. Een bijna volle maan hing boven de gracht in Groningen en we kusten en mijn hart was voller dan de maan van haar.
Het tweede gedeelte van de slotmanifestatie opende met de dichter-musicus Kees Wennekendonk, gevolgd door Tonnus Oosterhof. Die verlichtte zijn gedichten provisorisch met een zaklantaarn – het was domweg te donker geworden, de twee Dommelsch Bier-lantaarns wierpen slechts wat zwak licht rondom de beide deuren van het schouwburgcafé. Oosterhof was hilarisch, hij zette typetjes neer, soms compleet met Brabants accent en stemverheffing. Karikaturen, persiflages – zijn voordracht was cabaretesk, maar op hoog poëtisch niveau.
Mustafa Stitou nam als voorlaatste dichter plaats achter de microfoon. Na een writer’s block van vier jaar bracht hij alleen maar nieuw werk ten gehore, met zijn karakteristieke dictie: afgemeten, duidelijk articulerend, bezwerend, de gebaren van een profeet. Stuk voor stuk sublieme gedichten, die wederom aan zijn grondthema raken: de verbinding van het banale met het metafysische/onzegbare. In het gedicht ‘Welkom’ (over plastische chirurgie) staat een regel als ‘wij hebben de middelen om uit je lichaam de dood te verjagen’ naast ‘want iedereen heeft het recht een lekker ding te zijn’ en ‘zeg dus maar dag tegen je haveloze vagina.’
Didi de Paris mocht het festival afsluiten. Omdat het inmiddels volledig donker was, werd hij bijgelicht door de dichter Kaspar Peters. Didi de Paris gromde en kreunde, tierde en brieste, slaakte kreten, ging tekeer als een demagoog, een geniale waanzinnige. Zijn stem kaatste van het terras tegen de muren van het Schouwburggebouw en terug. Didi de Paris was rock ’n roll. Hij provoceerde zelfs op speelse wijze het publiek: ‘Ik heb zes uur in de trein gezeten [hij kwam uit Leuven - WT] om hier te staan, you fucking bastards!’ En: ‘It’s only rock ’n roll but I like it.’ Na het applaus van zijn voorlaatste gedicht bedankte hij het publiek met een luid: ‘Shut up!’ En bij zijn laatste gedicht schreeuwde hij zijn longen uit zijn lijf, een ware apotheose van de tiende editie van literair-botanisch festival Dichters in de Prinsentuin. Later die avond vertrouwde hij me toe dat hij poëzie maar ‘boring’ vond.
Om een uur of één trok de hele dichterskaravaan en een deel van het publiek naar café De Wolthoorn. Want dichters mogen dan niet dansen, drinken kunnen ze als de beste. |
| < Vorige | Volgende > |
|---|