Kroonjuwelen in Den Haag PDF Afdrukken E-mail

27-7-07

 

Aliefka Bijlsma debuteerde in april van dit jaar met de roman Gezandstraald (Augustus) en maakte onlangs tijdens het Kroonjuwelen Festival in Den Haag kennis met het fenomeen voorlezen. Een impressie van een literaire avond met niet-literaire pretenties.

 

 

Ik bevind me op het Buitenhof in Den Haag en keer terug in de tijd. Vijftien jaar was ik toen ik daar hele middagen na school in de McDonald’s zat. Vanaf het hotel aan de overkant zie ik de formicatafels en mezelf aan een aardbeienmilkshake zuigen.

Ik ben vijftien en ik ga voorlezen in een mooie jurk.

 

Terwijl ik over de keien loop en zorgvuldig mijn stappen van toen terug weet te halen word ik aangevallen door de verwarring die optreedt wanneer je te maken krijgt met nostalgie. Je staat met je gevoel in toen, maar je bent er nu. Ik bereik de ingang van het Nutshuis, struikel over de laatste trede van de trap en denk: ergens in deze straten is mijn zelfvertrouwen achtergebleven.

Was ik maar vijftien, ik ben vijfendertig.

 

Twee mannen van nog eens vijftien jaar ouder dan ik trekken met een royaal gebaar de deur voor me open.

`Señora,’ zegt de grijze man in een wit kostuum, `na u.’

Ik herken zijn kostuum als een Venezolaanse pak. De ander lijkt op een Indiaan. Hij heeft de lange haren van zijn kalende hoofd met vet naar achteren gekamd en in een staartje getrokken. Zijn haar glimt net zo hard als zijn krokodillenleren schoenen die hij voor de gelegenheid heeft opgepoetst. Ik ben niet de enige die gaat voorlezen, ook deze twee mannen gaan dat doen, net als de rest van de groep die ons in een zijkamer opwacht. Het publiek komt voor hen, kent hen. Ze willen dat het rood van de flamboyant zo fel wordt nagetekend dat ze het kunnen proeven. Ze willen het zilt van de zee ruiken, het verlangen naar regen herleven, de stroperige sensualiteit van een bachata horen, blaffende honden beluisteren en boomkikkers. Het publiek wil wat deze andere schrijvers ze geven. Schrijvers en publiek klampen zich aan elkaar vast, omhelzen elkaar bij het oproepen van tijden die voorbij zijn. Het is hun finest hour, hun moment of glory. Misschien wel de laatste keer.

 

En dan kom ik. De onbekende jonge vrouw die met haar eigen verleden worstelt. Ik vertel ze dat mijn roman zich op Curaçao afspeelt. Terwijl ik voorlees voelt alles verkeerd: ik had een ander stuk moeten kiezen. Mijn woorden zijn dissonanten in de melancholische melodie van de avond. In plaats van over geuren en kleuren vertel ik over personages die elkaar confronteren met de vraag wie zichzelf op Curaçao thuis mag voelen. Zo overtuigd mogelijk breng ik het over, met geheven kin zoals de baldadige vijftienjarige ik zou doen. In werkelijkheid sta ik wankel. 

 

Ik neem mijn applaus in ontvangst. De man met krokodillenleren laarzen duwt een bierglas in mijn hand, trekt me onder zijn oksel.

`Kom hier mijn kind, je hebt het goed gedaan,’ zegt hij.

Hij en ik zweten. Het is onverdraaglijk. Ik moet me losweken, lostrekken van hem. Want als zijn acceptatie betekent dat hij en ik hetzelfde zijn, dan sta ik over vijftien jaar precies waar ik nu sta. Ik zal een mooie jurk aantrekken, mijn stappen terughalen, dezelfde woorden herhalen die deze herinneringen oproepen. Misschien wel een laatste keer.

 

 
< Vorige   Volgende >