|
door Chrétien Breukers
Tumult - Maarten Inghels (Van Gennep, 2008)
Dichter Maarten Inghels, geboren in 1988, debuteerde onlangs met de dichtbundel Tumult, het zeventiende deel van de Sandwich-reeks onder redactie van Gerrit Komrij. In tegenstelling tot wat de titel doet vermoeden, bevat de bundel vrij weinig tumult. Wel een heleboel zenuwachtig heen-en-weer gejakker vanwege de (ongelukkige) liefde. Maar ja, wat wil je, op die leeftijd. Van hoog ('Ik sta op het dak / van de stad en / dek haar hart / met mijn jas toe.') naar laag ('Ik trok rood weg, ging liggen rond jouw / borsten'), Inghels trekt de hele trucendoos van de beginnende (liefdes)dichter open. Baldadig, behaagziek en zelfverzekerd, dat zijn de verzen van Inghels - en ik bedoel dit niet negatief. Ze zijn nog een beetje ongelijk van kwaliteit misschien, maar zeker veelbelovend: Hans Lodeizen heeft verkering met Jo Govaerts, zoiets. Op zijn best vind ik hem in een gedicht als oude meester, dat is opgedragen aan Hugo Claus ('Nu hangt u in de boom, als vlees gevild / geknoopt in eigen leven') en in 'Vandaag zat ik op bus 32', waarin hij een 'ontmoeting' met Leonard Nolens beschrijft (deels op het ritme van Van 't Groenewouds Je veux de l'amour, als ik het niet verkeerd zie). In beide gedichten spreekt het werk van de oudere collega's een woordje mee.
Vandaag zat ik op bus 32
Vandaag zat ik op bus 32 naast Leonard Nolens,
voor één rit Berchem/Wilrijk groeiden de
lederen tassen in onze schoot vast, wij
tweezaam op een vettige zitbank.
Ik zat roerloos vergroeid in de avonddrukte,
snoof geuren op, wilde oorsprong ruiken, talent,
zweeg verstomd en sneed de ooghoek open.
In de bochten naar links schudde
hij zijn lijf op me uit, bij het rijden naar rechts
liet ik mijn hoofd haast toevallig
op zijn schouder vleien, zijn pet was
onze hoed. De adem kwam in korte stoten
alsof zijn hart luchtte:
Zie. Mij. Graag. Maar daar,
waar het naar mens stinkt,
leest niemand in de lucht.
Veel te vroeg moest hij eruit:
ik stond recht om de man in pak
door te laten, voor een seconde waren
wij even groot.
Daar gaat hij: rustig, beheerst,
met zijn schommelende tas geplakt
aan de panden van zijn jas.
Je bent de wolken en je bent de hei - J.A. dèr Mouw - samengesteld door Marjoleine de Vos (Van Oorschot, 2008)
J.A. dèr Mouw is de dichter van
zulke mooie gedichten dat hij niet voorkomt op een door `wetenschappers' en `kenners' samengestelde canonlijst van boeken en
schrijvers die iedereen gelezen moet hebben. Reden voor dichter Co
Woudsma om het J.A. dèr Mouw Genootschap op te richten. Leden van het
genootschap zijn verplicht om het werk van de dichter onder de aandacht
te brengen en, waar nodig, te verspreiden. Aangezien ik sinds kort lid ben, zal ik mij aan deze statutaire verplichting houden. Onlangs
verscheen er een bloemlezing uit Dèr Mouws werk bij Uitgeverij Van
Oorschot, samengesteld en ingeleid door Marjoleine de Vos, onder de
titel Je bent de wolken en je bent de hei. Bij gelegenheid ging ook een
website open: www.jadermouw.nl en konden geïnteresseerde lezers
zich opgeven voor een `gedichtenabonnement' per e-mail. Prachtig, al
was het alleen maar omdat er nu weer een `handzame' editie is van Dèr
Mouws werk waarin een heleboel klassiekers bij elkaar staan.
Klassiekers zoals 'Dof violet is 't west en paarsig grijs', volgens Max
Dohle van http://blog2punt0.nl het mooiste schaatsgedicht uit de
Nederlandse literatuur.
Dof violet is 't west en paarsig grijs
Dof violet is 't west en paarsig grijs.
Nog wandel 'k door het zwaar berijpte gras,
En hoor naast me op de vaart het fijn gekras
Van schaatsen over 't hol rinkelend ijs:
Ik heb 't gevoel, of 'k op 't bevroren glas
Cirk'lend, zwevend, zwenkend op kunst'ge wijs,
Met 't buigend bovenlichaam daal en rijs:
'T is in mijn rug, of 'k zelf op schaatsen was.
Zo hoop 'k dat, langs wiens geest mijn verzen glijen,
Alleen, in paren, of in lange rijen,
Schomm'lend op maat en rijm van hollands staal,
Dat hij de wind, die mij droeg, zelf hoort waaien,
En 't fijn slieren en 't heerlijk brede zwaaien
Voelt van zijn eigen stemming in mijn taal.
|