Rue Fontaine d'Amour - Jef Aerts PDF Afdrukken E-mail

 

 

door Sam Gerrits

De klefzoete titel van de vierde roman van de Vlaamse schrijver Jef Aerts is misleidend. Een korte sessie Google Maps leert dat de straat ergens in de Brusselse wijk Schaarbeek ligt, volgens wikipedia in een stukje Brussel dat een 'opvallend contrast vormt met de meer welgestelde wijken.'

De verteller in Rue Fontaine d'Amour is de vijftienjarige Lize, die uit verveling op het dak van haar huis kruipt om haar stukje Brussel gade te slaan. Op het dak mijmert Lize over prof. dr. haar vader, die de dagboeken van de Russische balletdanser Nijinsky uit zijn hoofd kent, maar geen echte vader voor haar is, en over haar oudere zus Lena, die van huis is weggelopen om een geheel andere vorm van dans te gaan beoefenen in het Brusselse nachtleven. Twee inbrekende Albanezen die geleidelijk huisgasten en uiteindelijk logés worden, zorgen voor de nodige wrijving: zijn het illegale daklozen of engelen met een boodschap, en wat willen ze met Lizes vader? Ondertussen worstelt Lize met haar lichaam dat ontluikt en zijn eigen fontaine d'amour wil ontdekken. Vooral dat laatste heeft Jef Aerts prachtig opgeschreven:

 

`Nu niet struiken, denk ik. Ik ken ze allemaal, de losse tegels en de bobbels in de stoep. Maar hoe kun je op je voeten letten, terwijl je in je hoofd al honderd meter verder bent? 

Nog tien meter. De zoon van de Pakistaan komt in beweging. Ik kan de appels al ruiken, de overrijpe mango's en meloenen. Als ik bij het winkeltje kom, staat hij breeduit op de stoep. Ik kan niet anders dan tegen hem aan te lopen.

Hij wil een arm over mijn rug leggen, maar mijn schooltas zit in de weg. Ik draag de verkeerde oorbellen, denk ik. En er zitten drie puistjes op mijn wang. De zoon van de Pakistaan buigt zich voorover om me te zoenen. Ik draai mijn wang weg, zijn lippen raken mijn mond. 

Dan trek ik me los, grabbel naar mijn schooltas en ren weg van het winkeltje, de straat uit.'

 

Aerts toont in dit soort  passages, net als in zijn eerdere boeken, een groot invoelend vermogen. De ontboezemingen van Lize doen in de verte denken aan die van Davita in Chaim Potoks Davita's Harp. In sober en trefzeker proza wordt geschetst hoe nieuwe omgangsvormen zich ontwikkelen tussen Lize, haar vader en de Albanezen in het voormalig ouderlijk huis, in het vacuüm dat verdwenen liefde en vertrouwen achtergelaten hebben, en hoe een jong meisje ondanks alles telkens weer op zoek gaat naar lichamelijke warmte en genegenheid. Eerst in de Brusselse nacht bij haar zus en uiteindelijk bij de levende vertegenwoordiging van alles wat niet huiselijk en vertrouwd is, de Albanezen in het bed van haar zus:

 

`Er liggen twee twintigers in ontbloot bovenlijf op het bed te dutten. Geen Lena, natuurlijk niet, ze is in maanden niet meer thuisgekomen. De schouders van Ismael en Besnik raken elkaar net niet. Ismael heeft een klein buikje, met ook een toefje krullen rond de navel. De gelittekende borst van Besnik.

Enkele tellen zwart.

Dan loop ik zonder de deur achter me te sluiten de kamer in. 

Twee lichamen die zich verplaatsen, elk naar een rand van het bed. Ze kijken me aan, zonder wat te vragen, alsof het heel normaal is dat ik hun middagrust verstoor. Ik kruip op handen en voeten over de matras, klauter over Besniks rug.

De smalle ruimte tussen twee lichamen. Hoe ik er precies in pas. Hun ademhaling in mijn hals, in mijn gezicht. Aan elke kant een man dicht tegen mij aangedrukt. Ik bol me op tussen hun armen. Vouw hun handen over me heen. Sluit mijn ogen. "Lize?" Lepeltje lepeltje. Ik ben er even niet.'

 

Met dit soort intrigerende inkijkjes in het turbulente gevoelsleven van een jong meisje, wars van enige valse romantiek, weet Jef Aerts je keer op keer te boeien, en neem je de wat meer fantastische elementen van het boek graag voor lief. Met Rue Fontaine d'Amour heeft Aerts een krachtige stadsroman geschreven, een 'coming of age'-verhaal dat je raakt. 

 

Rue Fontaine d'Amour

Jef Aerts

De Bezige Bij, oktober 2008

 

Wie?


 

 


 

 

 


 
< Vorige   Volgende >