|

door Sam Gerrits
Bij iedere bruine uitgeversenvelop met inhoud die ik in mijn postbus vind, krijg ik een soort pakjesavondgevoel. Ditmaal haalde ik een hagelnieuwe paperback van de Bezige Bij uit mijn pakje, met de prachtige titel Nemen wij dan samen afscheid van de liefde. De schrijver was Paul Baeten Gronda, een Vlaamse debutant. Dat deed mijn hart sneller kloppen, want ik hou van Vlaanderen, die wereld down under die ons zo bedrieglijk nabij is. De cover van de novelle werd gesierd door een automatisch pistool, en op de achterflap keek een bebrilde, kaalgeschoren jongeman nadrukkelijk de lens in. Ha, een een angry young man, dacht ik.
Paul Baeten Gronda is dat inderdaad, en hij is iets van een taalkunstenaar. Hij formuleert messcherp en gebruikt originele, rake metaforen. Bij vlagen is NWDSAVSL dan ook briljant, en heb ik er van gesmuld. Wat te denken van een passage als:
`In de ondergrondse garage van het kantoorgebouw hangt een reclamebord voor de fitnessclub op de achtste verdieping. Zij vinden dat wellness een state of total well being is. Ik moet 'm zelfs al niet meer lezen, die zin. Ik weet dat hij daar hangt, en dat volstaat om ervan te balen. Ik vraag me wel eens af of de mensen die zulke dingen bedenken daar echt in geloven, al was het maar voor een seconde. Zou er echt iemand bestaan die gelooft dat je door twee keer per week je dikke reet op een fiets -- die overigens niet vooruit gaat als je trapt -- te hijsen in een nirwana van totaal geluk terechtkomt? Yin-yang, hoger-lager, feng-shui en al die andere zever over het geluk, ik ga er liefst niet te diep op in, Laat mij maar rondwaren in een wereld van oppervlakkige flitsjes van prêt-à-porter-geluk. Ik wil er niet aan werken, ik wil het op me laten afstralen. Hetzij door het tv-scherm, hetzij door de glimlach van Valérie.'
Of:
`Ik wilde ook een bloem, ook een hondje dat niet naar zijn eigen lul stonk en vele zorgeloze reizen met bijbehorende liedjes die nog nooit van een mineurakkoord gehoord hebben. Weg met de mineur en wasgoed dat naar grijze appartementen ruikt. Geef me wasverzachter, Elise. Geef me een eendje voor in bad. '
Dit soort cri-de-coeurs druipen van het talent. Toch bleef ik aan het einde van het boek achter met een leeg, wat onbevredigd gevoel. Lijkt op een vogel, vliegt niet, moest ik helaas besluiten. Dat heeft aan de ene kant te maken met de thematiek van het boek. Baeten Gronda laat zijn eersteling spelen in een soort postpuberale non-wereld: Max Eugène Venkenray, de hoofdpersoon, woont in een hotel, repareert airco's in een winkelcentrum en komt meer dan 200 pagina's lang nooit tot een gesprek met een medemens dat verder gaat dan het uitwisselen van onbenulligheden over heavy metal of tekortschietende mededelingen omtrent een zojuist verongelukt familielid. Aan het einde van het boek heeft hij noch zijn inmiddels bijna overleden vader, noch zijn gedroomde lief ontmoet. Het meest intieme moment is dat waarop zijn broer hem in elkaar slaat. Op papier is dat prachtig, en in een boek als Bankvlees van Jan van Loy, een andere jonge Vlaming die in dezelfde geest schrijft, werkt het, maar als auteur maak je het jezelf op deze manier niet makkelijk.
Ik vermoed dat de auteur van Nemen wij dan samen afscheid van de liefde in zijn eigen voet heeft geschoten door al te spartaans te willen schrijven. Zijn vlekkeloze en vaak smakelijke zinnen worden er soms te cryptisch van, waardoor het boek niet lekker leest, en het is lastig empathiseren met de lege wereld die hij oproept, waardoor lezen een beetje een opgave kan worden, zelfs al hou je, net als ik, van heavy metal en ronddwalende prutsers. Dat kan niet de bedoeling van een fictieboek zijn. Ik kijk dan ook uit naar de tweede roman van Baeten Gronda, waarin hij wat meer clementie zal betonen aan zijn zinnen, zijn protagonisten en de lezer.
Nemen wij dan samen afscheid van de liefde
Paul Baeten Gronda
De Bezige Bij, september 2008
Wie?
|