| De zieken breken - Wouter Godijn |
|
|
|
|
door Sam Gerrits
Wouter Godijn lijdt al een paar jaar aan een spierziekte. Volgens zijn uitgever, Contact, met als gevolg dat de poëzie in zijn vijfde bundel De zieken breken ook ziek geworden is: 'Walging, angst en pijn speelden altijd al een rol in zijn poëzie. maar in deze nieuwe bundel dringen deze gevoelens zich op de voorgrond. Toch zou het een vergissing zijn om te denken dat deze gedichten over Wouter Godijn of Wouter Godijns ziekte gaan. Voor wij sterven, worden wij immers gewoonlijk ziek. Vroeg of laat gaan deze gedichten dus over u.'
'Koe op haar zij of zij moet baren schemeringdiep/ het loeien klaaglijk, bijna balken/ de tanden van het donker al ontbloot/ Overal stikken ingetogen kleine dieren. De wind glijdt wezel- of slangachtig door het droge gras. Niet eens bloed,/ alleen een beetje drab. En dat na zoveel persen./ O ja: en een dode koe. Begrepen ober?
Hier worden de dierlijkheid van een lijdend lichaam en de banaliteit van de dood op een meesterlijke manier bijeengebracht. In deze bundel is de onevenwichtigheid die Godijn vaak verweten wordt, een stijlmiddel geworden. De spreektalige uithaaltjes zijn kleine ankers van lichtvoetigheid, waardoor de loodzware thematiek beter te verteren valt. Godijns sierlijke openheid over zijn ondergang confronteert op een dusdanig mooie en onalledaags alledaagse manier, zoals het gedicht uit de cyclus 'De zieken leggen Wouter Godijn het zwijgen op en spreken' hier onder, dat je als lezer je eigen sterfelijkheid even in de ogen durft te kijken. Dat is bewonderenswaardig.
Het zilver van de stinkvis Wat kan mij nog gebeuren? Ja de cv-ketel Kan zich om vijf uur 's nachts verslikken in een slok vuur. Wie weet weet ik het vege lijf te redden, pyjama op de hielen, witte billen smekend opgeheven naar van schrik nog verder blekend maantje (hellup! hier kan ik niets mee beginnen). donder ik over de balkonrand, maar mijn oeuvre stapels hoog op zolder. Wat dan? Een nest
van uienschillen, verfrommelde libellen en andere wensdroom om slaap diep te maken als een proestgrage volvette schatervrouw
Zo af en toe, ruftend en boerend, tanden uitsproeiend, zoek ik de waterkant -- boeren leunend op vorken en varken: 't blijft toch een aparte klant -- om een of andere nog niet aan vervuiling bezweken stinkvis omhoog te takelen. Verwaaid. O hoor die verwaaide stem -- waarschijnlijk toch nog de mijne -- zilver roepend: Zilver! Zilver!
De zieken breken Wouter Godijn Contact
|
| < Vorige | Volgende > |
|---|