| column: Van de laagste plank |
|
|
|
|
‘Een kut is als een gehaktbal! Bruin van buiten en roze van binnen,’ roept de drummer van de band. De kale man, zo breed als hij lang is, draagt een leren hesje met daarop Wild Pete. Hij is de voorman van een horde billy’s en bewijst dat iedereen kan dichten.
In Vlaardingen treden we op voor het meest onwaarschijnlijke publiek ooit. Ruige mannen met tatoeages en spijkerjasjes, ze zijn steevast twee meter groot. Poëzie interesseert ze geen zier, zij zijn hier voor de band. Maar elke keer als we onze, speciaal uitgezochte, meest grove gedichten voordragen, juichen ze. Bij het woord ‘seks’ gaan ze joelen en bij ‘pissen’ applaudisseren ze. Ze luisteren niet naar wat we zeggen. Zolang we het maar goed zeggen. Dat we al dronken zijn scheelt. Makkelijk schroeven we onze kelen los, de overgangen tussen de gedichten worden vloeibaar. We schreeuwen om het hardst in een kakofonie van mannetjesputters. Goed – de stoere mannen winnen. Maar alle scrupules vallen van ons af.
Tegen beter weten in ben ik huiverig om mijn speciale vieze-woorden-gedicht voor te dragen. Ik maak me zorgen om de dochter van ‘Wild Pete’. Ook al paradeerde ze voor het optreden van haar vader rond in zijn leren hesje en bedient ze hem tijdens zijn eerste set van glazen bier. Het gaat me te ver dat ik niets verhullende teksten moet uitspreken als ‘pulseren’, ‘ik ga mee in haar deining’ en ‘grote zwarte vinger die kriebelt aan haar kutje’. Met haar acht jaar lijkt ze me te jong, stomkop die ik ben. Een paar keer legt ‘Wild Pete’ zijn handen over haar oren, maar echt zijn best doet hij niet. Een half uur later knalt hij met zijn eigen ‘kut/gehaktbal’ gedicht over ons heen.
Als ‘Wild Pete’ ons achteraf toevertrouwd dat hij niet wist dat poëzie zo leuk kon zijn, snap ik waar het dichten om gaat. Hoe moeilijk ik mijn gedichten ook opbouw, wat voor mooie excentrieke woorden ik ook gebruik, het draait om het publiek. Van een groep dames van in de vijftig die goedkeurend knikken bij gedichten waar ze niks van begrijpen en doen alsof dit echte hoge cultuur is, tot een groep ongelikte beren die nooit één woord poëzie gelezen hebben, maar juichen tijdens mijn voordracht.
Doe mij maar een ‘Wild Pete’ die om de zoveel tijd onze voordracht onderbreekt en schreeuwt: ‘Ja, precies! Zo is het. Poëzie van de laagste plank!’
21-1-08
|
| < Vorige | Volgende > |
|---|